![]() |
Theo van Wijnkoop.
Voormalig bewoner vertelt over Hudsonbuurt in de jaren vijftig
Het Fluwelen Endje
Theo van Wijnkoop woonde vanaf 1947 tot 1963 in De Baarsjes. Hij groeide op in de Davisstraat, op nr. 54. In de Vespuccistraat bleef hij wonen tot aan zijn trouwen. Theo van Wijnkoop: "We woonden toen in de buurt: Het Fluwelen Endje. Waar die naam vandaan komt, weet niemand meer. Het was geen sjieke buurt, het was een nette, echte arbeidersbuurt". Van Wijnkoop beschrijft zijn jeugdherinneringen en zijn buurt in de jaren vijftig."Ik weet niet meer precies welke straten bij het ´Fluwelen Endje´ hoorden. Ik heb het nog aan m'n moeder gevraagd maar dat weet zij ook niet meer. In ieder geval: de Davisstraat, Postjesweg en de Hudsonstraat. Natuurlijk niet de hele Hudsonstraat, want er was een duidelijk verschil tussen de ´Eerste´ Hudsonstraat en de ´Tweede´ Hudsonstraat. De Eerste Hudsonstraat liep vanaf de Postjesweg. Na het Magalhaensplein begon de Tweede Hudsonstraat. Vlak na de Kerstdagen vochten we altijd tegen de Tweede Hudsonstraat in verband met de kerstbomenjacht. Dan stonden we voor de deur de bomen te verbranden".
Arbeidersbuurt
"Er woonden: een stukadoor, een timmerman, een taxichauffeur. Vroeger stonden er maar twee auto´s in de straat. Eentje was van Paultje Schogt z´n vader, die was taxichauffeur. De andere auto was van Egbert Fortuin z´n vader en die man was particulier chauffeur van één van de directeuren van de Shell. Een grote Amerikaanse bak had ie voor de deur staan. Die was vaak weg, net als de taxi. Dus wij konden altijd vrijuit tollen voor de deur.
M´n vader was stratenmaker, Ome Rinus Jansen zat bij de brandweer. Er woonden hier ook ambtenaren, winkeliers en politieagenten. Het waren allemaal mensen met vaste banen met een redelijk goed salaris. Men vond het een ´betere buurt´. Men sprak hier dialectloos. De woningen hadden geen douche, men ging naar het badhuis".Winkeliers aan de deur
"In het Fluwelen Endje had je veel buurtwinkels zoals: de melkboer, een aardappelhandel, kleermaker Doppie, een kruidenier, sigarenboer Verheul, de groenteboer, een slagerij, de rijwielstalling en veel bakkerijen. Elke morgen om vijf uur kon je de bakkerskarren horen die naar buiten werden gereden over de metalen drempels. Je had de ratelaar die ratelde als de vuilnisman kwam. Dan kon je de asemmer buiten zetten. Iedereen stookte toen met steenkolen.
De winkeliers kwamen langs de deur. Zondag kwam de man met het zuur. Brullen dat die man kon: "Komkommer en zure haring!" Ook kwam de man met de bollen een paar keer per week dan hoorde je: "Bolletjebol, Berlinerbol. Kom ze maar bij me halen!". Ze kwamen met paard en wagen of met handkarren langs de deuren: de melkboer, de bakker, de scharensliep, de aardappelboer en de kolenboer. De vrouw van de winkelier stond dan in de winkel terwijl de man zijn wijk liep. Op het Magalhaensplein zat toen al de GG&GD en daar tegenover konden we fietsjes huren voor een kwartje per uur. Dan kreeg ik een kwartje mee van m´n moeder om een autoped te huren want ik mocht geen fietsje hebben. Dus wat huurde wij dan? Een fietsje.
We jatten vaak snoep bij Bakkertje zoals duimdrop, bazuka´s (kauwgom met een wikkel met een stripverhaaltje, red.) en stroopsoldaten. De snoepwinkel van Bakker verkocht ook steenkolen. Hij had achter een biljart staan, daar is ie toen dood op gevonden. Nu zijn al die winkels weg".Leukste herinnering
"Een leuke herinnering is dat we met Luilak een keer de deurknoppen aan elkaar dichtbonden met een stuk touw en dan aanbelden. Dit hadden we gedaan bij Anne Flapper op de Hudsonstraat. Een soort Ma Flodder; lange soepjurk met sloffen. De politie kwam en we werden ingeladen in de politiewagen. Zei die smeris: "Waar woon je?" "In de Davisstraat". De agent ging naar m´n vader toe en zei: "We nemen ze eventjes mee". Toen brachten ze ons ik-weet-niet-waar naartoe en dan konden we het hele klere eind weer teruglopen. Dat was de straf. Het touw pikte ze wel in dat kregen we dus niet meer terug.
Ook herinner ik me de vrijheid die we hadden met spelen. Geen auto´s op straat als we Bokbokberrie speelden (soort haasje- over spel, red.). We konden op straat priktollen en tollen met een zweepje. Dat is de vrijheid die de jeugd van vandaag moet missen. Want de heilige koe staat voor de deur en als daar een bal in de buurt komt, begint de eigenaar al te stressen".Vroeger komt niet meer terug
"Ik vond het een prima buurt. Nu niet meer. Als ik het nu zie, dan huil ik. Want het doet best zeer als je hier rond rijdt. Toen was het een heel gezellige buurt. Iedereen kende iedereen. De mensen gingen normaal met elkaar om. De buurt is verpauperd. Tot mijn stomme verbazing zie ik ineens in de Hudsonstraat een parkeermeter staan. Ik vind het belachelijk, waarvoor? Er zit geen één winkel meer in de straat. De melkkoe is weer gevonden. Het is zo´n simpele en toch gezellige buurt, ga er dan geen bende van maken door palen te plaatsen waar je een paar centen in moet gooien.
Kijk, je kan nooit meer terugvinden wat je achter hebt gelaten. De straten waren leeg toen ik wegging. Als we op de straat aan het ballen waren dan vloog de bal duizend keer op het dak van Ome Willem. Hij schold ons dan helemaal verrot, dat was een echte bouwvakker. Maar hij ging toch elke keer het dak op om die bal te halen. Nu is dat anders. De mensen kunnen sowieso vandaag de dag toch al niets meer van elkaar verdragen".Geweldige jeugd
"Ik heb in deze buurt een geweldige jeugd gehad. Alles kon en alles mocht. Niet alles natuurlijk. De Hoofdweg was de rand van de stad, daar achter begon de Boerenwetering. Achter de Sint Augustinuskerk (Postjesweg, red.) had je de ´kom´, die zie je nu nog. Daar stond de overhaal, dat was een ijzeren rek waar de bootjes werden opgevaren (een soort haventje, waar nu de vuurtoren met de sinaasappels staat, red.). De boten op het rek werden door een lift naar de andere kant overgezet. Je had toen een dubbel niveau: het polderwaterniveau en het stadswaterniveau. De boten gingen dan langs de tuinders. Als je in de winter kon schaatsen op de Boerenweteringen, dan waren wij daar als eersten in de buurt om te stelen van de tuinders.
We hadden vroeger pater Van Opbergen. Dat was een opmerkelijk man. Hij werkte in Jeugdhuis Kompas in de Balboastraat en was zeer vooruitstrevend. Hij droeg geen wit boordje maar gewone, eenvoudige kleding. Net als wij. Het maakte voor hem niets uit of je katholiek was of niet. Dat was toen heel bijzonder in die tijd. Wij waren niet gelovig. Van Opbergen werkte met de jeugd. Daar deed hij alles voor. Dat vond ie schitterend.
De hele buurt, jong en oud, zat bij de vereniging Jacob Maris. Achter het clubhuis had je een laantje, het Kattenlaantje, met aan de straatkant wat bosjes. Daar kwam je weleens met een meisje. De jongens uit de Tweede Hudsonstraat gingen naar de vereniging Mercator. Tussen ons was geen vete, niemand was minder. Er was geen klasseverschil. Het woord ´vernieling´ kwam niet in ons woordenboek voor. Er was geen rottigheid, discriminatie bestond nog niet. Mensen die anders waren dan wij, daar leefde je gewoon mee. Er was veel meer sociale controle, want denk maar niet dat iemand dagenlang ziek of dood in z´n woning kon liggen zonder dat iemand dat ontdekte. Ik ben verhuisd uit De Baarsjes naar Osdorp omdat daar grotere woningen zijn. Maar ik heb nog altijd heimwee naar m´n oude wijk. Nog erg vaak. Dat klinkt misschien stom. Maar ik denk er met weemoed aan terug".(Dit artikel is overgenomen uit de digitale versie van Het Kompas uit maart 1997)
![]()